Interview

In gesprek met…Carla Kolner

1 juli 2026

In deze editie van “In gesprek met …” praat ik met Carla Kolner, onderzoeker op het snijvlak van gezondheid, welzijn, sociaal werk en preventie. In 2024 promoveerde ze aan de Universiteit voor Humanistiek op het proefschrift Rechtvaardige Preventie. In dit gesprek vertelt ze over haar persoonlijke drijfveren en haar pleidooi voor een bredere blik op preventie.

Wie is Carla?

Carla Kolner noemt zichzelf een bezige bij.

“Ik heb best wel een groot arbeidsethos en wil graag van betekenis zijn .”

Die behoefte aan betekenis kreeg in haar werk steeds meer focus. Carla werkte jarenlang in onderzoek en advies in het sociaal domein en in de publieke gezondheidszorg en merkte dat ze op een gegeven moment niet meer “van alles een beetje” wilde doen.

“Ik werd steeds meer een duizendpoot die van het ene onderwerp naar het andere ging. En toen dacht ik: ik wil me gewoon vastbijten in een thema dat er toe doet..

Dat thema werd preventie. Niet als beleidswoord of mooie ambitie, maar als vraagstuk dat raakt aan hoe we naar mensen kijken. Naar gezondheid, ziekte, verantwoordelijkheid, omstandigheden en kansen. Beslist ook geen makkelijk thema.  “Omdat aan dit thema veel vragen gekoppeld zijn waar geen gemakkelijk antwoord op is, want als het om preventie gaat lukt er vaak meer niet dan wel, en er in verschillende domeinen heel verschillend over wordt gedacht. Belangrijkste feit is dat we met het preventiebeleid in Nederland dikwijls niet de mensen bereiken die dit het meest nodig hebben. We slaan ergens de plank mis. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid signaleerde dat in 2018 ook al. Om die reden ben ik op een gegeven moment mijn proefschrift gaan schrijven.”

Persoonlijke drijfveer

Carla groeide op in Limburg waar haar moeder preventiewerker was in de tijd dat de mijnen werden gesloten en veel mensen ineens zonder baan zaten.

“Je ziet nog steeds hoe lang dat doorwerkt in zo’n gebied. Generatie op generatie. Dan denk ik: je kunt niet altijd naar de overheid kijken, maar ik vind het toch beschamend dat deze mensen er nog steeds niet bovenop zijn.”

Als jonge student deed Carla onderzoek bij mensen met grote mentale problemen in de mijnstreek in de Oostelijke Mijnstreek (gebied Kerkrade, Brunssum, Geleen etc). . Ze herinnert zich hoe ze na zo’n interview opgelucht de bus naar huis kon nemen.

“Dan dacht ik: ik kan straks weer naar huis, maar deze mensen zitten hier. Die hebben geen perspectief. Hun dag ziet er morgen weer hetzelfde uit.”

“Mijn moeder werkte ook met mensen die dreigden vast te lopen en deed aan collectieve preventie om te voorkomen dat deze mensen nog zwaarder in de problemen kwamen. Ze behandelde niet één op één, maar ging collectief met de mensen aan de slag. Dat zie je nu eigenlijk niet meer. Bij de GGZ werken nu vooral specialisten en ook binnen het sociale werk wordt de aanpak steeds individualistischer als is het opbouwwerk gericht op samenlevingsopbouw bezig met een revival.”

Carla heeft onderzoek gedaan naar waarom de preventieboodschap steeds individualistischer is geworden. De gedachte heerst dat ieder mens zijn eigen problemen moet en kan oplossen. Daar komen ook termen als zelfredzaamheid en eigen regie bij kijken.

“Ik vind dat ieder mens mede verantwoordelijk is voor zijn eigen keuzes. Toch zijn er ook mensen van wie we de vermogens te hoog hebben ingeschat. Tegelijkertijd hebben we onderschat wat levensomstandigheden met mensen doen. Daar zit een spanningsveld dat mij heel erg boeit. Dat was dan ook de drijfveer om mijn boek te schrijven.”

Ze zag ook hoe snel ziekte gepaard kan gaan met schuldgevoel. Alsof gezondheid volledig maakbaar is en ziekte dus betekent dat je iets verkeerd hebt gedaan. Dat idee raakt haar, omdat het volgens haar veel te eenvoudig is.

“Mensen zijn niet alleen maar zelf verantwoordelijk voor wat ze overkomt. Dat is veel complexer, veel groter en veel grilliger.”

De grenzen van zelfredzaamheid

In haar proefschrift onderzocht Carla hoe het komt dat we steeds individualistischer zijn gaan denken en werken. Dat heeft volgens haar te maken met bredere maatschappelijke ontwikkelingen.

“Onze hele samenleving is individualistischer geworden. We hebben marktwerking toegelaten en alles moet tegenwoordig meetbaar zijn. Het discours is gekanteld naar het idee dat het individuvolledige controle of regie heeft. . We zien de mens als consument en niet meer als zoekende en soms dwalende mens met een zorg of een vraag. Dat heeft er allemaal mee te maken. Dat is natuurlijk gemak voor overheden. Als burgers zelf dingen doen, hoeft de overheid minder te betalen en lijkt er minder infrastructuur en ondersteuning nodig maar dat is een misvatting.”

Woorden als zelfredzaamheid zijn heel risicovol en beladen. Dit hangt ook samen met een soort onderliggende maar minder vaak hardop uitgesproken aannamedat mensen die niet willen luisteren het aan hun eigen luiheid en gulzigheid te danken hebben dat ze ziek worden. En dan moet de bevolking ook nog opdraaien voor de kosten.

“Al in de Middeleeuwen dacht men dat de paupers hun eigen ellende over zichzelf heen riepen. Door opkomst van infectieziekten, gingen de rijken toch maar wat doen aan die omstandigheden om te voorkomen dat ze nog meer last kregen. Het eigen belang is dus altijd heel erg belangrijk geweest bij het aanpakken van de misere van anderen. Nog steeds vinden we het niet fijn om in een wijk te wonen waar mensen het slecht hebben, dus die wijkt schuiven we het liefst zo ver mogelijk weg.”

Zelfredzaamheid is dus prachtig, maar alleen als het ook kan en de  overheid het niet gebruikt om infrastructuur en ondersteuning af te bouwen. Preventie vraagt volgens haar daarom om meer dan voorlichting, campagnes of het aanspreken van individuen op gedrag. Het vraagt om te kijken naar de wereld waarin mensen leven en naar de sociale kwaliteit van de samenleving in het geheel. Want veel problemen van nu hebben te maken met het gebrek aan relaties, of gebrek aan relationaliteit, ook wel verbinding genoemd. “Al is dat op dit moment ook zo’n toverwoord. Maar daar zit veel dat beter kan: mensen hebben veel vrienden op facebook maar zijn minder echt op elkaar betrokken.” Hoogste tijd dat ook het vak burgerschap op scholen vaste voet aan de grond krijgt zodat jonge mensen weer echt leren wat het is om te leven in een democratie. Wat het ze brengt aan vrijheid maar ook wat van hen wordt gevraagd. Hoogste tijd ook om samenlevingsopbouw (lees: opbouwwerk) weer te herstellen.

Inspiratiebron

Op latere leeftijd heeft Carla in Harry Kunneman van de Universiteit voor Humanistiek een grote inspiratiebron gevonden.

“Tijdens zijn colleges had ik voor het eerst het gevoel dat ik geraakt werd door de wetenschap. Ik werd er helemaal ingezogen. Het was eigenlijk een soort thuiskomen.”

Wat haar aansprak, was de manier waarop hij wetenschap combineerde met persoonlijke ervaringen zonder er een persoonlijke mening van te maken. Ook verbond hij allerlei wetenschapsgebieden aan elkaar en gaf hij duiding aan complexiteit die ook inherent is aan relaties en aan de noodzaak van leerzame wrijving, want mensen zijn niet alleen lief en aardig voor elkaar maar doen elkaar ook veel aan. In elke relatie speelt macht een rol.

“Deze man sprak vanuit een multidisciplinair perspectief over bepaalde zaken in het leven die ertoe doen en waar in de wetenschap vaak van wordt weggekeken.”

Wat wilde je vroeger worden?

“Danseres, maar ik ben nooit op balletles gegaan. In ons dorp wasalleen een manege dus het werd paardrijden en daarna naar de universiteit in Maastricht”

Ze heeft eigenlijk nooit grote dromen gehad.

“Ik ben niet zo’n planner. Ik heb er nooit van gedroomd te promoveren. Weleens aan gedacht, maar als de omstandigheden anders waren geweest en ik dat proefschrift nooit had geschreven, dan had ik het waarschijnlijk ook niet gemist.”

Uiteraard is ze blij dat ze het boek heeft geschreven en dat het ook zo goed werkt. De tip van haar moeder om altijd haar eigen geld te verdienen, heeft ze altijd ter harte genomen.

“Gewoon lekker je eigen ding doen. Dat is om heel veel redenen heel fijn.”

Wat brengt de toekomst?

Carla rondt haar werk bij de Hogeschool Utrecht binnenkort af, maar gaat daarna zeker niet stilzitten. Ze is onder andere door Sociaal Werk Nederland en een aantal private partijen gevraagd om betrokken te zijn bij een onderzoek naar de rol van buurthuizen bij het versterken van de sociale cohesie en weerbaarheid. Ze heeft deze opdracht ondergebracht bij het Verwey-Jonker Instituut omdat daar veel kennis aanwezig is over het sociale domein.

“Ik krijg energie van uitwisseling, samen denken en samen dragen. Ik ben een team-mens en moet echt in een clubje werken, daar wordt het werk ook altijd beter van.”

Ze zit ook in de redactie van Waardenwerk. Dat is vooral leuk omdat ze artikelen te lezen krijgt met hoge waarde en dat brengt altijd weer een ander perspectief op bepaalde zaken. Ook hier ziet ze vaak een verbinding tussen wetenschap en het persoonlijke.

Daarnaast werkt ze aan een boek over rechtvaardige preventie, bedoeld als studieboek voor het hbo. Samen met lectoren van verschillende hogescholen wil ze preventie benaderen vanuit bredere vragen: wat is rechtvaardig, wat is helpend, wat vraagt de praktijk en hoe zorgen we dat de sociale basis niet uit beeld verdwijnt?

Tegelijkertijd wil Carla haar leven anders inrichten. Met meer ruimte, meer rust en minder haast.

“Ik wil mijn leven zo gaan inrichten dat ik ook tijd overhoud om leuke dingen te doen.  Ik wil meer blauwe lucht boven mijn hoofd.”

Een sociaal-moreel fundament onder preventie

Dat is wat Carla in ieder geval uit haar proefschrift wil meegeven.

“We moeten niet doorschieten in het evidence based denken, maar veel meer de relationaliteit van preventie zien.”

Dat betekent dat we moeten kijken naar de context waarin mensen leven. Naar de steun om hen heen. Naar sociaal werk, welzijnswerk, opbouwwerk, informele netwerken die de wijken dragen en andere laagdrempelige voorzieningen in de sociale basis. Juist dat werk en de meer laagdrempelige vormen van preventie zijn vaak moeilijk meetbaar, maar volgens Carla van grote waarde.

“Die hele morele ondergrond van preventie, die niet meetbare talloze verbindingen tussen mensen, die maken dat een wereld leefbaar is en rechtvaardiger wordt. Dat de kwaliteit van leven er is en dat er zingeving is.”

Ze vergelijkt het met een voedingsbodem.

“Het is echt een grond die je moet voeden. In die grond gebeurt van alles wat je niet allemaal kunt zien of meten. Maar je weet wel: als je die bodem niet onderhoudt, groeit er uiteindelijk niets meer.”

Volgens Carla is er te veel bezuinigd op precies die sociale of relationele ondergrond. Er is niet alleen financieel maar ook moreel sprake geweest van een kaalslag: op toegankelijke voorzieningen, op vaste professionals (‘gezichten’) in wijken en buurten die echte relaties opbouwen, op een gelijke verdeling van hulpbronnen en op het bevorderen van gezamenlijkheid. Terwijl die ondergrond bepalend is voor de vraag of mensen gezond kunnen leven, zich gezien voelen en perspectief ervaren.

“We zijn te veel de kant van meetbaarheid, KPI’s, efficiëntie en effectiviteit opgeschoten. Al het andere wordt niet gezien. En dan gaat het ‘m niet worden met het verkleinen van die gezondheidsverschillen.”

Boven en onder de tafel

In het gesprek wordt duidelijk dat Carla waarde hecht aan samenwerking waarin ruimte is voor eerlijkheid, reflectie en het persoonlijke verhaal achter het werk. Niet alleen praten over plannen, processen en systemen, maar ook over wat iemand beweegt. Wat staat er op het spel? Waar schuurt het? En wat wordt er misschien niet hardop gezegd, maar speelt wel mee?

Die manier van kijken herkent zij ook in het werk van B-Liz. In eerdere samenwerkingen ontstond juist waarde doordat er niet alleen “boven de tafel” werd gesproken, maar ook aandacht was voor wat zich “onder de tafel” afspeelde.

“Dat boven-de-tafel- en onder-de-tafelverhaal gebruik ik nog steeds. Gewoon om mensen los te maken van het systeemdenken waar ze vaak in zitten.”

Voor Carla ontstaat beweging juist waar mensen durven benoemen wat er werkelijk speelt, los van instituties, systemen en de vraag of iets wel gezegd mag worden.

Het raakt aan een bredere overtuiging die door het hele gesprek loopt: echte samenwerking begint niet bij structuren of modellen, maar bij mensen die durven onderzoeken wat hen drijft.

“Als we het vaker hebben over wat ons drijft, dan kom je dichter bij elkaar. Dat is in samenwerking heel erg belangrijk.”

Positieve gezondheid en een bredere blik op preventie

Op de vraag of ze nog advies heeft voor Lizzy en de opdrachten waar we met B-Liz mee bezig zijn, begint ze over positieve gezondheid, omdat ze vaak de vraag krijgt hoe haar verhaal zich daartoe verhoudt.

“In mijn boek schrijf ik er kritisch over, maar ik ben heel blij met positieve gezondheid in die zin dat het binnen de zorg een enorme discussie op gang heeft gebracht. Volgens mij bedoelen we een beetje hetzelfde: dat gezondheid veel breder is en met alles te maken heeft.”

Tegelijkertijd blijft haar waarschuwing belangrijk: speel het niet alleen op het individu en gooi het niet alleen op gezondheid in een medische betekenis. Laat het collectieve, het welzijnswerk en de sociale en structurele oorzaken van ongezondheid niet uit beeld verdwijnen. Naast de gezondheidslogica moet dan ook de welzijnslogica staan als een huis, met heel eigen waarden zoals het kunnen uithouden van complexiteit, naast mensen blijven staan ook als er geen gemakkelijke oplossingen voor problemen zijn. Maar ook het blijven zoeken naar kansen op groei van mensen, het aanboren en aanspreken van talenten en potenties van mensen en groepen én het aankaarten en aanpakken van structurele vraagstukken op samenlevingsniveau. Die logica is er niet voor niets en heeft net zoveel waarde als de gezondheidslogica waar toch meer in van ‘boven-af’ (evidence- based)  interventies voor leefstijlbeinvloeding wordt gedacht.

“Het is niet de bedoeling om te polariseren. Het is de bedoeling om aan te geven dat we een andere taal gebruiken en soms op andere knoppen drukken om dingen te bereiken die we allemaal willen.”

Voor Carla gaat het erom dat gezondheid en welzijn elkaar beter leren verstaan. Niet als twee concurrerende werelden, maar als perspectieven die elkaar nodig hebben om tot een bredere blik op preventie te komen.

“We moeten zien wat die verschillende knoppen zijn en ik zou willen dat we daar dan iets gezamenlijks van kunnen maken.”

 

Foto: Gijs van de Veerdonk

Deel dit bericht

Op de hoogte blijven?

Schrijf je in voor de nieuwsflits

Andere recente
ontwikkelingen

Andere recente
ontwikkelingen

Nieuws

Samen Schrijven over Energieke Organisaties

Huisartswerkt.nl, het leerloket in de huisartsenzorg, nodigde Lizzy en Julien Pieterse van Vitalics uit om een artikel te schrijven over de werksessie over vitaliteit en positieve gezondheid die zij hebben verzorgd bij Huisartsenzorg Zaanstreek Waterland. Vanuit de visie en aanpak...
Nieuws

Pilot gezondheidsgesprekken van het DGC

Binnen het Digitaal Gezondheidscentrum wordt in de IJmond samengewerkt vanuit de ambitie om de eigen regie van patienten over hun ziekte(proces) en leven meer te faciliteren.
Interview

In gesprek met … Nout Waller

In deze editie van In gesprek met… spreek ik met Nout Waller, directeur-bestuurder van Huisartsen Zuid-Kennemerland (HZK). We praten over het belang van regionaal werken en de rol van continuïteit binnen de samenwerking in de zorg. Nout deelt hoe zijn achtergrond en...